Aartje

02/03/2016 Francisca Kramer Julie Blik

Differend, afscheid, uitvaart, Jan Greven, Aartje

Volkomen onverwacht stierf ze aan een hartaanval. Ze was 38 jaar. Haar vader, Jan Greven, vond haar op de bank in haar huis. Drie jaar later verscheen zijn boek over haar : Aartje.

De oud-hoofdredacteur van dagblad Trouw is inmiddels 73. In ribfluwelen broek versierd met blauwe hondjes doet hij de deur open van het tuinhuis in Blaricum waar zijn studeerkamer is. De vriendelijke ogen achter zijn ronde bril wonen in een zacht gelaat. Zijn vrouw Vera, de moeder van Aartje, brengt thee. Aan de wand van zijn studeerkamer honderden boeken. Tipping Point, van Malcolm Gladwell, De aap in ons, van Frans de Waal, De vrij wil bestaat niet, van Victor Lamme, gebroederlijk naast een hele trits theologische boeken. Greven studeerde theologie en gaat nog geregeld voor in verschillende protestantse gemeentes. Hij werkt aan een preek over Exodus, over de uittocht van de Israëlieten uit Egypte en de plagen die hen overvallen tijdens hun veertig jaar durende tocht door de woestijn.

Greven is een man van het woord. Het boek over Aartje moest er dan ook komen. Als monument voor zijn dochter, natuurlijk, maar wellicht ook omdat het verdriet zo een weg kan vinden door het grillige landschap van de rouw.

De dag dat het leven van Greven kantelde, was 7 januari 2012. Al een paar dagen hadden ze niks van Aartje gehoord en waar ze altijd direct terugbelde, bleef het nu stil. Bij haar huisje in de Jordaan zaten de gordijnen dicht en op het aanbellen werd niet opengedaan. Toen de brandweer eraan te pas was gekomen om de woning te openen, wist Greven het eigenlijk al. Aartje lag dood op de bank. Omgeven door asbakken vol uitgedoofde sigarettenpeuken.

Niet bang

Ze was altijd al eigenzinnig geweest, volgens haar vader. “In de zesde klas van de lagere school mochten de jongens altijd het schoolplein vegen. Meisjes konden dat ook, vond zij, en daar vocht ze dan net zo lang voor tot ook zij het schoolplein vegen mocht. Ze was niet bang, ze zei waar het op stond.”

Aartje was een buitenstaander. Niet getrouwd, geen kinderen en genoeg aan zichzelf. Ze had een hartgrondige hekel aan bakfietsmoeders en hoe die zich in het Amsterdamse verkeer begaven. En ze rookte. Als een ketter. Greven: “Als we afspraken, deden we dat nooit bij haar thuis. Altijd ergens in de stad, lunchen, ergens heen. Nu snap ik waarom, ze had haar hele huis moeten ontluchten.” Hij schudt van plezier als hij het vertelt. Waarom ze het verborgen hield? “Geen idee. Ik denk dat ze gewoon geen zin had in het gezeur, de discussies die het zou opleveren.”

Op zijn site schrijft hij: “Aartje had een ommuurd tuintje binnenin haar dat ze helemaal voor zichzelf hield.” En: “Ze kon zichzelf verschrikkelijk in de nesten werken.” Greven vertelt over de brief van de universiteit waar ze al vijf jaar studeerde. ‘Uitgeschreven’, luidde de boodschap. “En nog overtuigde ze ons dat het een fout was in het systeem. Later bleek dat ze al in het eerste jaar van haar studie was gestopt. Zelfs vriendinnen wisten niet dat ze allang niet meer studeerde. Ze ging gewoon mee naar bibliotheek, waar ze dan waarschijnlijk heel andere dingen deed.” In een interview werd Greven gevraagd of hij en zijn vrouw niet veel te goedgelovig waren geweest. “Misschien is dat wel zo”, zegt hij. “Misschien wilden we het wel te krachtig goed hebben.” Naar haar motivatie om over haar studie te liegen, kan hij ook alleen maar gissen. “Ze had een enorme faalangst, misschien lag dat eraan ten grondslag. Of schaamte, dat ze ons niet teleur wilde stellen? Als je eenmaal begint met liegen, kom je van het een in het ander.”

Differend, afscheid, uitvaart, Jan Greven, Aartje

‘Als buitenstaander was ze een goede observeerder. We konden zo lachen om dingen, om de lulligheid van mensen. Zo was onze omgang’

Jan Greven

Uit wat Greven schrijft over zijn dochter en hoe hij over haar vertelt en daarbij kijkt, blijkt steeds maar een ding: een grenzeloze, onvoorwaardelijke liefde. Op de vraag wat het eerste is dat bij hem opkomt als hij aan haar denkt, zegt hij: ‘verdriet’. En: ‘gemis’. Dan is hij stil en kijkt weg, het hoofd droef.

De schok van de eerste rouw beschrijft hij als ‘ongelovig’. “In eerste instantie ben je geconcentreerd op het verdriet. Geleidelijk aan ontstaat er weer meer perspectief, maar het verdriet blijft als een grondzee op je af stromen en spoelt soms volledig over je heen. Soms barst ik in huilen uit.

Laatst kreeg ik een uitnodiging voor de promotie van een achternichtje dat ik heb getrouwd. Dan lees je haar cv, al die dingen die ze heeft gedaan en alles wat nog voor haar ligt. Ik gun het haar ontzettend graag, maar dan denk ik daarna aan Aartje. Dat ze weg is. De contrastervaring maakt me dan verdrietig.”

Over Aartjes toekomst was geen zinnig woord te zeggen, aldus haar vader. “Ze woonde in een huis van mij, ze had net ontslag genomen bij de uitgeverij waar ze werkte en verzorgde als freelancer de publiciteit van mensen die boeken in eigen beheer uitgaven. Ze had weinig nodig. Hoe het verder was gegaan weten we niet.”

Geregeld bezoekt hij haar graf, twintig minuten lopen bij hun huis vandaan. “Dan voel ik alleen maar gemis. Dat ze weg is.” Wat hij met name aan zijn dochter mist, is het plezier. “Als buitenstaander was ze een goede observeerder. We konden zo lachen om dingen, om de lulligheid van mensen. Zo was onze omgang.”

Schelmenroman

Meteen na haar dood is Greven gaan schrijven. Op zijn website verschenen indringende, maar ook vrolijke stukken over de eigenzinnige Aartje. Vriendin en schrijfster Rosita Steenbeeck zei: ‘Dat is een schelmenroman’. Greven: “Dat vond ik een mooie manier om over haar te schrijven. Het haalt de zwaarmoedigheid eraf.” Aartje is een openhartig boek geworden, over haar dood, maar veel meer over haar leven. “Het was kort, maar wel een voltooid leven. Zo wil ik er tegenaan kijken.”

Het boek gaat ook over geloven. “Samen met sinterklaas had Aartje haar geloof in God vaarwel gezegd”, schrijft Greven. Toch wilden hij en zijn vrouw haar begraven in de christelijke traditie, met kerkelijke rituelen. “Dat gaat over veel meer dan wel of niet in God geloven. Hoor je bij een traditie, daar gaat het over. We hebben er wel voor gewaakt dat we haar niet zouden inlijven in iets waar ze zich niet goed bij zou voelen. Ik denk dat ze het wel mooi gevonden had. Henk Leegte heeft de dienst geleid en de preek ging over Openbaringen, over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het was heel droevig. Maar het moet ook zwaar wegen, want zoiets ís zwaar. Ik ben niet van vrolijkheid op begrafenissen.”

Het is ruim drie jaar na Aartjes dood. De eerste rouw is erover heen gegaan. Greven: “Wat je moet leren weet je eigenlijk pas als je het bijna onder de knie hebt. De filosoof Hegel zei: ‘De uil van Minerva vliegt pas uit bij het invallen van de duisternis.’ Een tijdperk wordt pas ten volle begrepen als die periode bijna ten einde is.”

Verder leven zonder Aartje is een kunst die Greven nog niet helemaal onder de knie heeft. “Op een mooie dag als vandaag vind ik dat je het leven moet aanpakken. Een streep zetten onder het verleden en de horizon zo wijd mogelijk bezien. Maar de dood zet het leven op de rem. En dat moet niet. Je moet voluit gaan. Dat is een enorme gemeenplaats, maar voor nu is dat mijn wijsheid. Of dat reëel is, met zo’n verdriet? Dat is de vraag. Op een bepaald moment moet je het verdriet integreren. Je moet gaan zien dat de dood bij het leven hoort en het diep doorvoeld hebben. Pas dan kun je de doden zacht te rusten leggen.”