‘Elke kuur geeft mij tijd’

18/09/2015 Francisca Kramer Julie Blik

Differend, afscheid, uitvaart, Femke van Rossum

Ze staat op het punt om op vakantie te gaan naar Texel, samen met haar man en twee kinderen van 14 en 7. Femke van Rossum gaat ervan genieten. Misschien is het wel de laatste keer.

Het was in 2006 toen er bij Femke (nu 42) borstkanker werd ontdekt. Een schok, natuurlijk. Tegelijk dacht Femke: ‘Zoveel vrouwen krijgen borstkanker en zoveel vrouwen overleven het’.

Dat laatste ging Femke ook doen. Een tijdje leek dat ook uit te komen, want na vijf jaar was Femke ‘schoon’ verklaard. Ze hoefde niet meer terug te komen voor controles. Femke: “Best eng vond ik dat, want die controles gaven me ook een gevoel van zekerheid.” Een half jaar later bleek het toch niet goed te zijn. Femke had uitzaaiingen in de longen. Inmiddels zijn ook haar botten aangetast.

Terwijl Femke haar verhaal doet, gaat de bel. Het is de verpleegkundige die haar een botversterkend middel zal toedienen. Er wordt wat gerommeld in de koelkast waar het middel bewaard wordt, terwijl Femke ondertussen routineus haar broek losknoopt. Zonder blikken of blozen laat ze zich in haar bovenbeen spuiten. Lichamelijke integriteit heeft voor Femke duidelijk allang een andere connotatie dan voor de meeste anderen.

Blog

Ze is een grote, stoere vrouw. Niet gemakkelijk klein te krijgen. Het lange blonde haar is verdwenen, er groeien nu kleine witte stekeltjes. Op haar armen verschillende tatoeages, onder andere van een vrouw met maar een borst.

Vanaf het begin van haar ziekte houdt Femke een veelgelezen blog bij. In opvallend mooi proza beschrijft ze daarin haar grote en kleine gevechten, geregeld met een ondertoon die zegt: met mij valt er niet te spotten. Haar blog ‘Beste Mark’, waarin ze in een open brief aan Mark Rutte het huidige kabinetsbeleid hekelt, veroorzaakte een storm aan publiciteit. Diezelfde avond mag ze aan tafel bij Pauw haar verhaal doen. Het resultaat: een telefoontje van Mark Rutte zelf. Femke: “Niet dat het veel heeft uitgehaald, maar het was wel bijzonder dat hij belde.”

Haar vechtlust is er ook de oorzaak van dat de verpleegkundige bij haar thuis komt. In plaats van dat ze elke maand twee uur in het ziekenhuis aan het infuus moet om het botversterkend middel binnen te krijgen, hoeft ze nu alleen maar een spuit; binnen een halve minuut is het gepiept. “Deze methode kost alleen veel meer geld, dus je moet er zelf achteraan in de hoop dat je verzekeraar het wil vergoeden.”

Differend, afscheid, uitvaart, Femke van Rossum

‘Ik heb een klus te klaren en elke maand die ik kan bijdragen aan het leven van mijn kinderen is er een’

Femke van Rossum

Inmiddels is Femke in haar zesde behandeltraject. Vanaf de derde kuur slaat de behandeling goed aan, de uitzaaiingen zijn zelfs afgenomen. Na de vakantie volgt er een nieuwe scan met mogelijk nieuwe toekomstperspectieven. Honderd procent herstel zit er echter niet in. “De behandelingen zijn puur levensverlengend”, legt Femke uit. “Tachtig procent met mijn vorm van borstkanker haalt de vijf jaar niet.” Uit haar lotgenotengroep is het helaas ook nog vrijwel niemand gelukt. Maar Femke weigert bij de pakken neer te gaan zitten. “Elke kuur geeft mij tijd, net zolang tot mijn lichaam stop zegt.”

‘Ik heb nog tien jaar nodig’

De reden voor haar vechtlust is eenvoudig: haar man en kinderen. “Ik heb een klus te klaren en elke maand die ik kan bijdragen aan het leven van mijn kinderen is er een. Tegen mijn oncoloog zei ik: ‘Ik heb nog minstens tien jaar nodig. Regel het!’ De statistieken wijzen echter uit dat de kans groot is dat ik er over twee jaar niet meer ben.” Alhoewel de dood haar nog niet zó dicht op de hielen zit, is Femke allang bezig met de praktische zaken. De auto op haar mans naam, een euthanasieverklaring, uitbreiding van haar nabestaandenpensioen… Mijn man staat er straks alleen voor, het geeft mij rust om te weten dat hij door het behoud van mijn inkomen er wat meer voor de kinderen kan zijn.”

Het idee dat ze er straks niet meer zal zijn om de helpende hand te reiken als haar kinderen haar nodig hebben, vindt ze onverdraaglijk. In een van haar blogs schrijft ze erover en vergelijkt het met het stiekem door het raam gluren als je kind voor het eerst naar school gaat, klaar om bij te springen mocht het mis gaan. “Dat ik dat straks niet meer kan doen, teruggaan om mijn kinderen te helpen, is ontzettend moeilijk.”

Tijd is relatief geworden, voor Femke. “Mijn toekomstplannen beperken zich tot het plannen van een vakantie. Verder kijken we niet vooruit. En weet je, soms duurt een weekend eeuwen.”

Dochter Zoë komt terug van het boeken halen voor school. Ze volgt het tweetalig VWO. Niek van 7 gaat die dag met een vriendje mee naar huis. Hij is niet anders gewend dan een zieke mama, zegt Femke. “Voor hem is het de dagelijkse realiteit. Ondanks dat hij weet dat ik niet meer beter word, heeft hij de link met doodgaan nog niet gelegd.”

Bang voor de dood is Femke niet. “Ik heb geen idee of en wat er hierna nog is. Misschien zie ik mijn beide ouders weer, dat zou ik heel mooi vinden.”

Gedenkbankje

Met haar afscheid is ze nog niet zo bezig. “Dat mag mijn man bedenken. Een uitvaart is iets voor de nabestaanden, vooral mijn gezin moet er wat aan hebben. Ik ga er vanuit dat er prosecco zal zijn…”, lacht ze.

Wel is er iets wat ze graag zou willen na haar dood: een gedenkbankje. “Mijn moeder is gecremeerd en haar as verstrooid, mijn vader is begraven op een begraafplaats ver weg. Dat ik geen plek heb om naartoe te gaan, vind ik erg jammer. Dat gun ik mijn man en kinderen wel. Een mooi bankje, het liefst bij zee, waar ze af en toe heen kunnen gaan en op kunnen uitrusten, dat zou ik mooi vinden.”

Voorlopig is Femke echter nog lang niet weg. Integendeel, ze is bijzonder aanwezig. Bijvoorbeeld op de Samenloop voor Hoop waaraan ze samen met een zelf samengesteld team meedeed in haar woonplaats Zoetermeer. Een etmaal lang werd er in estafettevorm gelopen voor het KWF. Ruim vierduizend euro haalde Femke en haar team op, van de in totaal 61 duizend. “Een geweldig evenement. Over twee jaar is het weer. Wat zou het geweldig zijn als ik dan weer kan meedoen.”