Laat het licht uit

10/10/2016 Frénk van der Linden Julie Blik

Differend, afscheid, uitvaart, Frénk van der Linden, column, laat het licht uit

Frénk van der Linden over levensvreugde en rouw

De vingertop van een geliefde die je traag rond je navel voelt cirkelen

Beelden van de Grand Canyon die bij zonsondergang je oog strelen

De smaaksensatie van oesters en witte wijn die op je tong om voorrang vechten

Een zweem vers gemaaid gras die van een gazon opstijgt naar je neus

Pianostukken van Chopin die je oren verleiden

Over de zintuigelijke kant van levensvreugde hebben we het vaak. Mannen (nou ja, jonge mannen) kunnen uren vertellen over strapatsen op matrassen. Vrouwen (nou ja, jonge vrouwen) raken niet uitgepraat over de sound van hun favoriete boyband, de aanblik van de nieuwe H&M-collectie en de odeur van een uitgaansparfummetje. Ook op latere leeftijd schromen we niet te spreken over plezier dat kan ontstaan wanneer ons lichaam iets registreert, gewaar wordt. Joie de vivre ervaren we bij voorkeur aan den lijve.

Maar rouw houden we als het even kan op afstand. Ook zintuiglijk.

Onlangs kreeg ik in de Haarlemse Philharmonie de kans om de voormalige opperbevelhebber der Nederlandse strijdkrachten Peter van Uhm te interviewen. Een man met een gebeeldhouwd hoofd en gebeeldhouwde opvattingen over vrede en veiligheid. Kort nadat hij was aangetreden als hoogste militair kreeg hij te horen dat zijn zoon als soldaat in Afghanistan om het leven was gekomen. Bermbom. Boem. Van Uhm kan nooit meer onbewogen luisteren naar ‘Brothers in arms’, een nummer van de Dire Straits. De jongen die hij samen met zijn vrouw op de wereld zette, hoorde niets liever. Tien, twintig seconden de tonen van die song, en Van Uhm senior gaat onderuit.

Je eigen zintuig kan je zwakte meer blootleggen dan andermans wapentuig.

Differend, afscheid, uitvaart, Frénk van der Linden, column, laat het licht uit

‘Onmiddellijk maakte zich het gevoel van me meester dat mijn moeder weer bij me was’

Frénk van der Linden

Mijn moeder stierf begin vorig jaar, aan Alzheimer. Omdat de dood zich dus al jaren voor haar heengaan had aangekondigd, kon ik bij voorbaat rouwen.

Elke maandag gingen we samen naar China Fantasy, een restaurant in Hoofddorp, waar we steevast wantan-soep, een loempia en tjap tjoy aten, besprenkeld met verse jus d’orange. Wekelijks vertelde mijn moeder over haar lieve vader, die tijdens de oorlog door Duitsers was gedwongen mee te spitten in loopgraven. Over de bioscoopbroek van mijn pa, waar hij met een schaar een puntje vanaf had geknipt, zodat zij in het donker vrij spel had. Over de geboortes van mijn drie zussen. Over een kartonnen doos op zolder waarin ze al mijn journalistieke artikelen bewaarde.

Ja, terwijl de vrouw uit wie ik was voortgekomen nog leefde, kon ik al oefenen in rouw. Toen zij daadwerkelijk overleed, had ik daar vrede mee.

Rond kerst bleek dat het ingewikkelder zat. Op een avond zat ik op de bank in de woning waar mijn moeder dertig jaar van haar leven had doorgebracht. Mijn zus Pauline was op de eerste verdieping iets onduidelijks aan het doen. Ze riep me naar boven. Vanachter een gesloten deur zei ze: “Nu moet je deze kamer binnenkomen. Laat het licht uit.”

Zonder ook maar een vraag te stellen, deed ik wat ze gezegd had. In het duister voelde ik dat ze een stuk stof tegen mijn neus drukte. Onmiddellijk maakte zich het gevoel van me meester dat mijn moeder weer bij me was, levend en wel. Ik rook haar. “Dit hemdje droeg mamma dikwijls”, zei Pauline. “Ik wilde haar voor eventjes aan je terug geven.”

Ik was blij met het verdriet dat mijn zintuigen me bezorgden.