Zusjes

12/05/2015 Francisca Kramer Julie Blik

Differend, afscheid, uitvaart, Alette

Elf jaar geleden verloor Alette (47) haar enige zus. Een gebeurtenis die haar hele leven veranderde. ‘Een broer of zus is als de boom die naast je staat.’

“Het was de zomer van 2004. De zomer van het Europees Kampioenschap voetbal en die avond had Nederland gespeeld. Mijn zus Frederieke, die met haar man in Leiden woonde, had de wedstrijd bij vrienden gekeken. Na het voetbal stapte ze die nacht rond een uur of een met haar man in hun solide zwarte Volvo. Mijn zusje was de bob, dus zij reed. De stoplichten stonden op knipperstand en er was bijna geen verkeer op de weg. Tot ze het kruispunt overstaken. Precies op de stil tussen de voor- en de achterdeur van de bestuurderskant werden ze geraakt. Achteraf bleek de bestuurder van die auto teveel gedronken te hebben. ‘Oh oh’, zei ze nog.

Toen middenin de nacht het telefoontje van haar schoonvader kwam, had ik geen idee hoe ernstig de situatie was. ‘Fé en Jop hebben een ongeluk gehad en het ziet er niet goed uit. Ze wordt nu geopereerd, je kunt maar beter hierheen komen’, zei hij. Het drong niet goed tot me door en ik bedacht dat het beter was eerst nog even te gaan slapen, de kinderen naar school en crèche te brengen en dan pas naar het ziekenhuis te gaan. Maar een uur later belde hij alweer. ‘Ze hebben haar niet kunnen redden.’

Boterhammen in een zakje

Mijn reactie was handelen. Ik heb een paar boterhammen in een zakje gestopt en ben naar Leiden gereden, alleen. Mijn man moest bij de kinderen blijven, mijn moeder was met een vriendin op vakantie in Frankrijk en mijn zwager was zwaar gewond.

Daar lag ze, mijn lieve kleine zusje. Voorzichtig ben ik naast haar gaan zitten, heb haar hand gepakt en ben gaan zingen. Liedjes van vroeger die zomaar in me op kwamen. ‘Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komt’. Ik streelde haar haren en haar gezicht dat nog warm was en had het gevoel dat ik haar moest begeleiden, de dood in, als de grote zus die ik altijd voor haar was geweest.

Het was de tijd waarin oud-koningin Juliana en prins Claus overleden en mijn zusje verdiende minstens zo’n mooi afscheid, vond ik. In een stampvolle kerk in Leiden sprak dezelfde dominee die haar huwelijk vijf jaar eerder had ingezegend. Ook hij had er geen woorden voor. ‘Dit hoort zó niet’, zei hij. Zo’n mooi en veelbelovend leven zomaar afgebroken.

Mensen vroegen me in die tijd vaak: ‘Had ze kinderen?’ Als ik dan ontkennend antwoordde, zeiden ze: ‘Oh, gelukkig’. Dat deed zo’n pijn. Want wat zou het troostend zijn geweest als ze nog had doorgeleefd in haar kinderen. Door haar vroege dood ben ik nooit tante geworden. Zelf was ze onwijs leuk met onze kinderen. Een paar dagen voor ze overleed, had ons dochtertje van twee nog bij haar gelogeerd. Het laatste beeld wat ik van mijn zusje heb, is dat we wegreden en zij zwaaiend voor het raam stond met een luier op haar hoofd.

Trots

Zo was ze. Vrolijk, altijd lachen. Een echt zondagskind, alles kwam haar aanwaaien. Na de middelbare school wist ze niet goed wat ze wilde en alhoewel ze nog nooit in de horeca had gewerkt, koos ze voor de hotelschool. Een schot in de roos, ze bleek daar helemaal op haar plek. Ze won zelfs een prijs voor haar afstudeerscriptie. Tot haar dood werkte ze bij de Passenger Terminal Amsterdam waar ze ook betrokken was bij het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima. Oh ja, ik was ontzettend trots op haar. Zoals zij ook trots op mij was. ‘Dit is mijn zus’, zeiden we stralend als we elkaar introduceerden.

Differend, afscheid, uitvaart, Alette

‘Ik kwam erachter dat een broer of zus verliezen een heel existentiële vorm van verlies is’

Alette

We hadden een enorm sterke band, Fé en ik. Toen ze werd geboren kon ik als klein meisje de r niet uitspreken. Ik verhaspelde haar naam tot Fedahieka dat later werd afgekort tot Fé, zoals iedereen haar kende. Natuurlijk, we hadden ook wel eens ruzie, maar in de meeste gevallen vonden we het heerlijk om bij elkaar te zijn. Elke zondag belden we. Misschien werkte het ook zo goed omdat we tegenpolen waren. Zij de vrolijke, lichte grapjas die het leven niet al te serieus nam en ik de meer zorgelijke van ons tweeën, die overal over nadacht en zwaar op de hand kon zijn. Waar Fé makkelijk contact legde, was ik juist geremder.

Een week na haar dood hoefde ik niet meer te huilen. Ik weet nog dat ik dat gek vond. ‘Mijn verdriet kan toch niet nu al over zijn?’ Wat er voor in de plaats kwam was een enorme levenslust en kracht, ingegeven door het steeds aanwezige besef: het kan morgen afgelopen zijn. Opeens kon ik intens genieten. Van lekker eten, van de natuur, van knuffelen met m’n kinderen en van weekendjes weg met mijn moeder.

Heel bewust namen we daar sinds Fé’s dood de tijd voor, mijn moeder ging ook met ons mee op vakantie. Waar ik ook erg van genoot was dansen. In Haarlem had je destijds een vrijdagavonddisco voor oudere jongeren. Als ik de boodschappen had gedaan, trok ik mijn mooie jurk aan en ging de dansvloer op. Soms alleen, soms met vriendinnen. Heerlijk vond ik het! Het leek wel alsof ik door Fé’s dood weer meer werd hoe ik vroeger was. Minder zorgelijk, vrolijker. Een beetje zoals op de middelbare school waar ik in de feestcommissie zat. Soms dacht ik: ‘Het is alsof er een stukje Fé in mij is gegaan.’

Scheiding

Op een van die dansavonden ontmoette ik Ton. Na Fé’s dood was het knagende besef dat ik in mijn relatie niet op mijn plek was steeds prominenter geworden. Waar ik mijn gevoel daarover eerder steeds wegrationaliseerde – geen enkel huwelijk is toch perfect? – drong het besef zich steeds meer aan mij op dat ik zo niet door moest gaan. Ik miste voor mij essentiële dingen en Ton kon mij geven waar ik zo naar verlangde. We werden als magneten tot elkaar aangetrokken, zo erg dat we niet lang daarna besloten gelijktijdig onze respectieve huwelijken te beëindigen. Een stap die ik met veel angst en beven heb gezet.

Dat ik mijn ex-man daar pijn mee heb gedaan is nog steeds een confronterend besef. Toch heb ik geen seconde spijt gehad van mijn beslissing. Ik ben ervan overtuigd dat ik hoe dan ook gescheiden zou zijn. Maar door Fé’s dood en het allesoverheersende besef dat het leven elk moment voorbij kan zijn, kwam het hele proces in een snelkookpan. Alles moest nu, tijd was gewoonweg te kostbaar.

De fase van euforie na Fé’s dood duurde een paar jaar. Toen diende het verdriet zich alsnog in volle hevigheid aan. Met zo’n kracht dat het een gat in mijn ziel brandde dat nooit meer is gedicht. Ik kwam erachter dat een broer of zus verliezen een heel existentiële vorm van verlies is. In een lotgenotengroep zei iemand dat het is alsof de boom naast je wordt uitgerukt. Zo voelt het inderdaad. Fé was een deel van mezelf. Misschien ook omdat we alleen elkaar hadden als speelkameraadje in ons gezin. Ik zie het ook bij mijn eigen dochters, die zijn net zo close. Dat uit zich ook fysiek; ze slapen samen in bed, dragen elkaars kleren. Soms baart me dat zorgen. ‘Neem maar wat meer afstand’, denk ik dan. ‘Je kunt elkaar zomaar verliezen.’

Nieuwe zus

Toen Fé’s man drie jaar na het ongeluk een nieuwe partner kreeg, was dat rationeel heel fijn, maar emotioneel ontzettend moeilijk; alsof Fé’s plek nu definitief werd ingenomen. Heel eventjes dacht ik zelfs: ‘Nu krijg ik een nieuwe zus.’ Maar dat kan natuurlijk helemaal niet.

Ik ben een tijd verdrietig geweest dat mijn ouders maar twee kinderen hadden gekregen. Van mijn moeder wist ik dat ze er wel meer had gewild, maar in de jaren ’70 stond het thema overbevolking hoog op de sociale agenda. Meer dan twee kinderen deed je niet. Anders had ik misschien nu nog een broer of zus gehad.

Veel mensen dachten: ‘Alette redt zich wel.’ Ik had immers een gezin, een doel om voor te leven? De meeste aandacht ging daarom uit naar Fé’s man en naar mijn moeder, die zes jaar eerder ook al weduwe was geworden. Enerzijds klopt het, ik ontleende veel vreugde aan mijn gezin, mijn kinderen waren een doel om voor te leven en het gaf afleiding. Maar hoe ouder ik word, hoe moeilijker ik het vind dat ik het enige kind nog ben met een moeder die onvermijdelijk ouder wordt. Als zij hulpbehoevend wordt, komt alles op mij neer en als ze overlijdt moet ik alles alleen doen en ben ik de enige die over is van ons gezin. Dat voelt eenzaam.

Inmiddels is het verdriet meer geïnternaliseerd en heb ik geaccepteerd dat ik het altijd met me mee zal dragen. Ik zou het ook niet anders willen, want dat verdriet is Fé en daardoor is ze ook bij me. En wat ben ik blij dat ze er is geweest.

Centraal Station

Wat ik het meeste mis aan Fé? Ach… zoveel. Het bellen op zondag bijvoorbeeld. Vaak fantaseer ik over hoe het verder zou zijn gegaan. Zou ze nog moeder zijn geworden? En zouden we samen weekendjes weg zijn gegaan? Ik kan soms zo jaloers zijn op mensen met zussen. Ook fysiek mis ik haar. Nóg kan ik voelen hoe zacht haar huid was.

Op een dag, kort voor haar dood, kwamen we elkaar onverwacht tegen. Op het Centraal Station in Amsterdam liepen we elkaar zomaar tegen het lijf. Dat was zó leuk. Altijd als ik daar nu loop, hoop ik dat dat nog één keer gebeurt.”